Gerechtelijke uitspraken

Disclaimer:
Samenvatten is mensenwerk. We staan niet garant voor de volledigheid. Als u de geanonimiseerde uitspraak (zie bijlage) wilt ontvangen kunt u een verzoek richten aan spreekuur@wooninfo.nl. Hou er rekening mee dat verschillende rechters van geval tot geval verschillende afwegingen kunnen maken.

  Terug

Kenmerk (rechtbank)/Zaaknr.:
1073200 C  
EBF nummer:
OWE 09-04  
Datum uitspraak:
05-03-2010  
Titel:
Verzoek tot medehuurderschap van huurder, na be‰indiging relatie.  
Kern:
Tussen vonnis: Huurders willen medehuurderschap van de ex-partner. De hoofdhuurder is echter niet meer woonachtig in de woning en de relaties is verbroken. De rechter is van oordeel dat het samenwonen be‰indigd is maar wil uitzoeken of er nog sprake is van een ?duurzame? relatie. Comparitie volgt.

Samenvatting:
De huurders eisen dat de verhuurder de tweede huurder de status van medehuurder verleent. In de periode van 2002 t/m 2008 ontvingen ze een uitkering van de DWI en werden de huurders gezien als en duurzame gemeenschappelijk huishouding. Dit heeft ruim 7 jaar plaats geduurd en ze vragen nu de verhuurder om de partner op het huurcontract te vermelden. Dat de relatie na jaren is verbroken, doet er volgens de huurder niks af aan de oorspronkelijke intentie tot samenwonen. Nu de relatie op een einde loopt zien de huurders het belang van medehuurderschap in.
De huurders verstreken hun claim door middel van jurisprudentie van de Hoge Raad, de uitspraak van A-G mr. Huydecoper arrest van 23maart 2009. Hierin worden de samenwoners de zelfde rechten toegekend als gehuwde paren. Met de toevoeging dat het niet van belang is dat er feitelijk wel of niet meer samen wordt gewoond op het moment van de vordering/verzoek op medehuurderschap.

Verhuurder betwist dat de huurders vanaf 2006 een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd. Dit kan hij namelijk niet concluderen uit de door de huurder aangeleverde stukken. Tevens heeft de verhuurder van de gemeente Amsterdam per brief verstuurd op 2 april 2009 te horen gekregen dat de huidige hoofdhuurder niet meer op de woning ingeschreven is. De verhuurder stelt tot slot dat de gemeenschappelijke huishouding zich heeft gewijzigd en dat er nu sprake is van twee gescheiden huishoudingen. Deze situatie doet zich voor tot dat een van de twee bewoners een andere verblijfplaats heeft gevonden.
En de verhuurder stelt dat de eis van de huurders moet worden afgewezen.

Tussen oordeel rechter.
Aan de hand van het Petronella arrest (NJ 1980,132) blijkt dat een duurzame gemeenschappelijke huishouding van ten minste twee jaar aanwezig moet zijn. Voordat er gesproken mag worden van medehuurderschap indien er plannen bestaan om de relatie te be‰indigen. En in het arrest van 21 februari 1986 (NJ 1986,363) is vast komen te staan dat een gemeenschappelijke huishouding pas eindig tijd eindigt indien er opnamen plaats vind in een ziekenhuis of verpleeghuis.
Dat er sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding (periode 2002-2006) is vast komen te staan. Echter staat vast dat de huurders hun relatie al hadden verbroken voordat zei hun verzoek bij de verhuurder indiende.
De huurder en verhuurder verschillen van mening of na het breken van de relatie nog aansprak gedaan kan worden op een verzoek tot medehuurderschap op basis van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.
Uit het arrest van 1986 stelt dat indien de samenleving be‰indigd wordt door verhuizing dit niet direct betekend dat de gemeenschappelijke huishouding is ge‰indigd. De verhuurder merkt hier bij op dat dit recht maar voor een beperkte (korte) periode van kracht blijft. En in deze zaak is dat al een lange periode.

De rechter voegt op basis van de artikelen en arresten hier aan toe dat het samenwonen/leven wel direct eindigt maar het ?duurzaam? blijft gelden, hoewel die in feite niet meer voortduurt. Om het voortduren van de duurzame samenleving te bevestigen wordt er een comparitie ingelast.

Rechter:
O.J. van Leeuwen  
Gemachtigde:
 
Instantie:
Sector Kanton  
Winnaar:
Geen  
 
  Terug