Gerechtelijke uitspraken

Disclaimer:
Samenvatten is mensenwerk. We staan niet garant voor de volledigheid. Als u de geanonimiseerde uitspraak (zie bijlage) wilt ontvangen kunt u een verzoek richten aan spreekuur@wooninfo.nl. Hou er rekening mee dat verschillende rechters van geval tot geval verschillende afwegingen kunnen maken.

  Terug

Kenmerk (rechtbank)/Zaaknr.:
CV 04-5945  
EBF nummer:
kenmerk 18  
Datum uitspraak:
12-01-2005  
Titel:
Vordering in de zin van hoofdstuk 4 van de Huisvestingswet  
Kern:

Samenvatting:
Vordering in de zin van hoofdstuk 4 van de Huisvestingswet

De kantonrechter te Amsterdam heeft bepaald dat brieven van de gemeente die aangeven dat er sprake was van een vordering niet met zich mee brengt dat deze vordering op dat moment ook daadwerkelijk nog bestaat.

Huurders huren pand sinds 1972 voor f. 137,80 per maand inclusief water en de huur van de geiser.
In 2001 is het pand in handen gekomen van een nieuwe eigenaar.
Per 1 juli 2004 betalen huurders ? 95,22 per maand.
De gemeente Amsterdam zou een vordering op de woning hebben als bedoeld in hoofdstuk 4 van de Huisvestingswet, de gemeente meldt meerdere malen per brief aan de huurders dat hun vordering ten behoeve van de woning afloopt. Verhuurder/ eigenaar zou huurders een huurovereenkomst willen aanbieden tegen een huurprijs die niet hoger ligt dan het maximaal redelijke, daarom zou de gemeente geen nieuw besluit tot vordering nemen. In feite stelt de gemeente dus dat er geen sprake is van een huurovereenkomst.
Verhuurder biedt huurders een huurovereenkomst aan tegen een huurprijs van ? 190,58.

Verhuurder vordert voor recht te verklaren dat er geen sprake zou zijn van een huurovereenkomst. Er zou slechts sprake zijn van een vordering door de gemeente Amsterdam. Huurders hebben geen reactie gegeven en zouden daarom zonder recht of titel in de woning verblijven.

Huurders stellen dat zij in 1972 een huurovereenkomst hebben gesloten met de toenmalige verhuurder. Er zou nooit een toewijzing of terbeschikkingstelling hebben plaatsgevonden na het besluit van de gemeente Amsterdam om de woning te vorderen. Tevens is hiervan niks terug te vinden in de openbare registers. Eerdere eigenaren van het pand hebben de huurders altijd ook daadwerkelijk aangemerkt als huurders.

De kantonrechter oordeelt dat er onvoldoende bewijs is om aan te nemen dat er een toestand van vordering en toewijzing heeft bestaan. Alle rechtsvoorgangers van de huidige eigenaar van het pand dachten dat er spraken was van huur en hebben allen geen gebruikersvergoeding gesteld. Bovendien zou alleen op grond van het feit, dat huurders er al die tijd op mogen hebben vertrouwen dat er een huurovereenkomst bestond, de eis van verhuurder mogen worden afgewezen.

Rechter:
mr. J. Westhoff  
Gemachtigde:
 
Instantie:
Rechtbank, sector Kanton  
Winnaar:
 
 
  Terug